Onafhankelijkheid van big tech is voor journalisten vooralsnog een droom

Het lijkt misschien niet zo, maar in de digitale wereld valt het voor journalisten niet mee om hun publiek te bereiken. Oppervlakkig gezien zou je denken dat dit juist makkelijker is dan ooit: er zijn zoekmachines, sociale media en chatbots die het publiek allemaal naar je werk kunnen leiden. In de praktijk zit het net even anders: journalisten en redacties hebben geen vat op deze intermediairs, bijvoorbeeld op de werking van Google, het algoritme van Elon Musk of het gebruik van journalistieke informatie door chatbots.
Dit brengt ons bij een middag van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek over het verbeteren van de relatie van journalisten met hun digitale publiek. Het idee is dat journalisten meer eigenaarschap over die band moeten krijgen, in plaats van afhankelijk te zijn van big tech. FTM-uitgever Jan-Willem Sanders vertelt dat het steeds moeilijker wordt een relatie met het publiek op te bouwen en bijvoorbeeld een nieuw medium op te richten. Daar zouden we ons best meer zorgen over mogen maken.
Deze middag komen twee voorbeelden aan bod waarbij journalisten eigenaarschap ontberen: chatbots en sociale media. Echt vrolijk wil de middag niet worden.
Chatbots
Veertig procent van de antwoorden van chatbots komt uit journalistieke producties, horen we. Een innovatiestrateeg van DPG Media klaagt er openlijk over: AI gebruikt journalistieke producties zonder ervoor te betalen. Een oplossing blijkt ver weg. Je kunt proberen je website zo te programmeren dat de datacrawlers van AI-bedrijven er geen gebruik van kunnen maken. Je zet je website dan als het ware ‘dicht’. Probleem: dit blijkt technisch hooguit deels een optie.
Jelle Kamsma is daarom bezig met een experiment. Kun je voorwaarden verbinden aan het gebruik van journalistieke informatie door AI-bedrijven, bv. door verplichte vermelding van bronnen? Dan kunnen lezers die bronnen direct raadplegen en ervoor doneren. Of deze werkwijze zinvol is, daarover bestaan deze middag meteen twijfels. De DPG-innovatiestrateeg meldt dat journalisten hier alleen iets aan hebben als gebruikers ook echt doorklikken naar de oorspronkelijke bron, maar dat doen ze in de regel nou juist niet.
Zo heeft het er alle schijn van dat de belangrijkste oplossing voor dit probleem een gesprek met AI-bedrijven is. Wederom slecht nieuws: volgens de DPG-innovatiestrateeg kom je bij een bedrijf als Open AI helemaal niet aan tafel, want men vindt Nederland simpelweg niet belangrijk. Dat geldt zelfs voor een groot bedrijf als DPG. Opeens denk je terug aan de juridische stappen die o.a. de Auteursbond momenteel zet om AI-bedrijven te dwingen een vergoeding te betalen voor het gebruik van journalistiek werk.
Die oplossing gaat alleen op lange termijn soelaas bieden. Misschien.
Sociale media
En dan zijn er nog de sociale media, waarbij journalisten verzuchten dat ze geen vat hebben op de algoritmes van big tech. Hier wordt gebouwd aan alternatieven. Deze vrijdagmiddag horen we over het open sociale netwerk OSO, dat is ontwikkeld door Waag Future Lab. OSO werd vorige week gelanceerd bij de Dutch Design Week. Vooralsnog is het netwerk nog in een experimentele fase en kunnen er maar een paar honderd mensen gebruik van maken. De beta-lancering is in januari. Tot dat moment is het invitation only.
Het kost een van de sprekers veel woorden om uit te leggen hoe dit netwerk precies werkt, maar eigenlijk is het vrij simpel. Technisch is OSO gelijk aan Bluesky en is daarmee ook uitwisselbaar, net als met Eurosky. Het verschil is waar de server staat. Je kunt technisch van Bluesky verhuizen naar OSO en al je volgers en data meenemen. OSO zegt meer mogelijkheden te bieden om zelf te bepalen wie je volgt en hoe, maar hoe dat er precies uitziet horen we niet.
Er zijn wat media die al met OSO experimenteren, waaronder Trouw en De Marker. Het netwerk is geschikt om de interactie met het publiek aan te gaan, want er zijn allerlei moderatietools, horen we. Trouw-hoofdredacteur Karel Smouter denkt dat het nu aantrekkelijker wordt om met het publiek in gesprek te gaan. Dat was bij veel oude sociale media juist niet het geval. Hoe dat komt horen we niet. Daarmee lijkt dit vooral het gevolg van het feit dat er maar 600 mensen toegang hebben tot OSO.
Uitdagingen
Een nieuw netwerk klinkt mooi, maar in de zaal komt meteen de vraag der vragen op. Hoe krijg je je publiek mee naar OSO? Trouwwil dat meer redacties op OSO actief worden. In het ideale geval stappen alle redacties op dezelfde dag over en dan zal het publiek ze ook wel volgen, denkt Smouter. Een jongen in de zaal denkt dat Geert Wilders sowieso op X zal blijven. Smouter denkt dat Wilders ook naar OSO komt als alle media daar zitten.
Onwillekeurig dwalen je gedachten af naar de weerzin tegen Elon Musk. Het hangt van je politieke voorkeur af of je blij bent met hoe Twitter zich heeft ontwikkeld. Niet iedereen is er tevreden over en dan zijn alternatieven welkom. Maar er bestaat ook zoiets als lock-in, zoals een redacteur van De Marker terecht opmerkt: overstappen naar OSO is misschien wel makkelijker dan overstappen naar iets anders, maar het is altijd meer gedoe dan blijven waar je bent.
Journalisten willen die verhuizing zelf vast wel ondernemen, maar dat ligt voor het grote publiek toch echt anders en zo blijft alles vooralsnog bij het oude. Wie kent Mastodon nog, het eerste echte Twitter-alternatief op basis van open source? Een mooie poging om de wereld te verbeteren, maar tot wasdom kwam het netwerk nooit. Om OSO nu al af te schrijven is het veel te vroeg, maar tegelijk blijft de onafhankelijkheid van big tech voor journalisten nog wel even een droom.
Abonneer je hier op mijn nieuwsbrief en ontvang elk nieuw artikel via e-mail.
Waardeer dit artikel!
Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan!
Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.
Beeld: panel in gesprek over OSO bij het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek. Foto: Chris Aalberts.