Zetelpeilingen zitten vol problemen, maar journalisten zullen die blijven negeren

Het is een traditie, vertelt de bekende politicoloog woensdagmiddag bij het peilingensymposium, een bijeenkomst van campagnestrategen, journalisten en opiniepeilers die na bijna elke Tweede Kamerverkiezing wordt gehouden. We zijn bij Campus Den Haag, de V&D-editie: een gloednieuw gebouw van de Leidse universiteit in de voormalige Haagse vestiging van het warenhuis. In wat ooit een winkel was, zijn tegenwoordig collegezalen en studieruimtes te vinden. Met uitzicht op de winkelstraat.
Mensen moeten bij dit symposium vrij kunnen spreken, zegt de hoogleraar, dus hier geldt de Chatham House Rule. Dit betekent zoiets als dat mensen niet mogen worden geciteerd. Hoewel zo’n regel eenduidig lijkt, is die dat eigenlijk niet: mogen we nu wel zeggen wie hier aanwezig waren? Met name bij de opiniepeilers hoeven we daar niet geheimzinnig over te doen. Nederland heeft namelijk maar drie bureaus die zetelpeilingen uitvoeren: Peil.nl (van Maurice de Hond), Ipsos en Verian, die uitsluitend werkt voor EenVandaag.
Eerst kijkt het gezelschap van een kleine veertig mensen naar de problemen met peilingen, daarna naar de oplossingen. We horen dat zetelpeilingen eigenlijk twee soorten gebruikers hebben: kiezers die willen weten hoe de partijpolitieke verhoudingen liggen en media die willen weten aan welke politici ze aandacht moeten besteden en wie ze voor debatten moeten uitnodigen. Voor beide doelgroepen is het belangrijk dat de peilingen kloppen. Dat is een uitdaging, zo leren we.
Uitdagingen
Het eerste probleem is de representativiteit. Er wordt door alle bureaus gebruik gemaakt van internetpanels en achteraf vindt dan ‘weging’ plaats, waardoor de steekproef representatief wordt voor de kenmerken van de bevolking. Hoewel technisch eenvoudig, is die procedure niet waterdicht: er ontstaat een representatieve steekproef op de kenmerken die gewogen worden, zoals leeftijd en opleiding, maar niet voor mogelijke andere karakteristieken. Je kan zeggen dat er altijd vragen over de representativiteit blijven.
Ten tweede worden peilingen gezien als een voorspelling van de verkiezingsuitslag. Ze geven immers aan wat mensen denken te gaan stemmen. De verkiezingen zijn meestal echter een hele tijd later dan de peiling en dus kan hun voorkeur dan alweer veranderd zijn. Peilingen worden naarmate de verkiezingen dichterbij komen steeds meer opgevat als voorspelling, niet als een tijdelijk scorebord, zo leren we. Maar zelfs de dag voor de verkiezingen is het geen voorspelling: veel kiezers moeten dan nog beslissen.
Een derde probleem is de berichtgeving. Media besteden vaak weinig aandacht aan de kwaliteit zoals het aantal respondenten dat niet antwoordt, de grootte van de steekproef en dat soort zaken. Het is eigenlijk verkeerd om kleine veranderingen in zetelaantallen te rapporteren, want die kunnen binnen de betrouwbaarheidsmarges vallen. Media doen dat vaak toch. Een van de opiniepeilers denkt dat dit wel minder gebeurt dan voorheen: media begrijpen steeds beter dat het om de grote lijnen gaat.
Oplossingen
Het grootste probleem is dat peilingen invloed hebben op de verkiezingsuitslag, zo is vaak de verwachting. Er is een ‘bandwagoneffect’: burgers kiezen voor de partij die aan de winnende hand is. Dat is met name een probleem omdat kiezers zich pas de laatste weken voor de verkiezingen informeren en dat er juist dan veel peilingen zijn. Een aanwezige speculeert dat dit leidt tot enorme, opvallende overwinningen, zoals de PVV in 2023 en D66 in 2025. Krijgen burgers geen spijt?
Een van de opiniepeilers zegt iets interessants: tijdens zijn decennialange carrière is dit altijd al de discussie geweest. Er is niets nieuws onder de zon. Wat wel is veranderd, is dat er tegenwoordig wordt gepleit voor een peilingenpauze in de weken voor de verkiezingen. Dat levert meer aandacht op voor de inhoud, zo is het idee. Naïef natuurlijk, want als talkshows alleen door zo’n pauze kunnen bedenken dat de inhoud ertoe doet, zitten ze sowieso al op het verkeerde spoor. En dat zitten ze.
Al snel leren we dat bijna niemand een verbod wil. De opiniepeilers willen het logischerwijs niet. Een van hen laat zien dat maar tien procent van de kiezers zegt zijn stem te baseren op peilingen en slechts twee procent noemt peilingen de belangrijkste bron van informatie. Ook media zitten niet op een verbod te wachten: dan is er geen informatie meer welke partijen de meeste aandacht verdienen. Dat indirecte effect is zo belangrijk dat peilingen onmisbaar zijn, zelfs als ze slecht zijn uitgevoerd of als ze op zichzelf geen nieuws opleveren.
We kunnen er dus zeker van zijn dat de discussie over peilingen ook de komende decennia gevoerd zal blijven worden.
Beeld: Universiteit Leiden, Campus Den Haag. Beeld: Chris Aalberts.
Waardeer dit artikel!
Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan!
Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.